Muziektijdschrift De Rode Leeuw

Welkom bij De Rode Leeuw (ISSN 1871-9600), al ruim vijftien jaar het leukste Nederlandstalige tijdschrift voor muziek en cultuur. Een goedkoop blad bovendien. dat u veel genoegen zal bereiden. De Rode Leeuw is dan ook low budget, geen glossy gedoe, maar informatie waar een mens wat aan heeft. Vraag gerust een proefnummer aan: mail naar gerardvanderleeuw@hotmail.com en vergeet niet uw adres te vermelden.


In de komende nummers van De Rode Leeuw o.a.


Hongarije-nummer (Petöfi, Bartók, Illyes e.a.)
Interview met Clemens Kemme
De strijkkwartetten van Ignaz Pleyel
Biografie van Willem Noske

Naar Antonio Sacchini luisteren!



                                                         Gerard van der Leeuw




Soms wordt een mens stil van bewondering en verbazing als hij luistert naar volkomen onbekende muziek. Dat overkwam mij toen ik met steeds stijgend enthousiasme luisterde naar de opera Oedipe à Colone van Antonio Sacchini. Wat een grandioze muziek!
Hoorde u ooit van Antonio Maria Gaspare Gioacchino Sacchini (1730 - 1786), het zoontje van een Florentijnse kok, dat in Napels opgroeide en er leerling werd van (de ook ten onrechte vergeten, maar uitstekende) Francesco Durante?


In Napels, Padua (waar zijn Olimpiade hem in heel Europa bekend maakte) en Venetië ontwikkelde Sacchini zich tot een beroemd (opera)componist en zangpedagoog.(een van zijn leerlinges was de ook uit Mozarts leven bekende Nancy Storace). Een internationale carrière bracht hem o.a. naar Stuttgart, München en Londen, waar Burney zijn opera’s  Il Cid en Tamerlano beschreef als

equal, if not superior, to any musical dramas I had heard in any part of Europe.


Uiteindelijk kwam Sacchini in Parijs, waar hij, ondanks de steun van Marie Antoinette, al gauw betrokken raakte in de strijd tussen de Gluckisten en Piccinnisten, de aanhangers van Gluck, dan wel Piccinni (ook een leerling van Durante, overigens). 
Teleurgesteld over het uitstel van de opvoering van zijn voorlaatste opera Oedipe à Colonne in Fontainebleau overleed Sacchini op 6 oktober 1786 in Parijs.
Ik kan me die teleurstelling goed voorstellen, want je hoeft maar twee minuten naar dit werk te luisteren en weet: een absoluut meesterwerk! Grootse koren, schitterende recitatieven, drama, prachtige aria’s, meeslepende duetten, fabelachtig mooie koren, zeer Franse dansen, schitterende orkestraties: het is er allemaal.  De harmonische taal is rijk, de melodieën meeslepend. De dramatiek evenaart die van een Gluck. Meesterlijk (hij steekt hier werkelijk Mozarts Idomeneo -Mozarts meest Franse opera- naar de kroon!) weet Sacchini er de vaart in te houden. Het hele werk is een grootse synthese tussen de Italiaanse en de Franse stijl. Waarom, waarom is deze muziek in ‘s hemelsnaam zo onbekend?


De opera had immers, weliswaar pas na de dood van Sacchini, wel degelijk succes. Tussen 1787 en 1830 werd ze in Parijs zeer regelmatig uitgevoerd, met nog een (door een dolenthousiaste Berlioz bijgewoonde en besproken) reprise in 1843. Berlioz prees o.a. de  orkestratie van het werk, die overal de woorden verstaanbaar deed zijn: mérite réel pour un opéra quand les paroles sont dignes d’ être entendues. Is het het Frans dat deze opera in de weg zit, of is het gewoon ‘wat de boer niet kent dat eet-ie niet’?

Het libretto (overigens is het enige dat ik mis in het cd-boekje de naam van de librettist) van deze opera is gebaseerd op een van de tragedies van Sofokles en wel zijn Oidipous te Kolonos, een van de tragedies uit de Thebaanse cyclus. Maar anders dan Sofokles eindigt de opera met het in die tijd in een opera nu eenmaal onvermijdelijke ‘lieto fine’ (happy end)..
Net als Mozarts prachtige Idomeneo eindigt deze opera, zéér Frans met een ballet (Chaconne-Gavoote-Chaconne), maar waar men uit puur onverstand en onbegrip Mozarts grandioze noten vaak weglaat, voert men hier het ballet van Sacchini, zoals het hoort, gewoon (en hoe!) uit.


De uitvoering van al dit moois is ook al iets om je over te verheugen: het Amerikaanse (!) Opera Lafa-yette Orchestra and Chorus o.l.v. Ryan Brown (die er werkelijk iets van begrijpt) speelt in lekker kleine bezetting, bijgestaan door uitstekende solisten de sterretjes van de hemel en dat in een stijl die niet Franser had gekund. Eerder maakte hij met zijn op authentieke instrumenten spelend orkest een prachtige opname van de Franse versie van Glucks Orphée et Euri-dice (1774). Ook deze opname van Sacchini is weer simpelweg vakwerk. En ook prettig de opera werd op twee cd’s opgenomen op Naxos: voor een vijftien euro heeft u zo bijna twee uur prachtige muziek in huis. Het cd-boekje bevat naast een goede inleiding op de opera in drie talen ook het volledige libretto in het Frans (een engelse vertaling is overigens bij Naxos te downloaden).


Wordt geen dief van uw eigen oren en hol naar een goede cd-winkel!


Antonio Sacchini: Oedipe à Colone


Naxos 2cd 8.660196-97
DDD 67:54 en 44:53


Leve Pleyel! (uit De rode leeuw 186)

Ignaz Pleyel 250 jaar geleden geboren. Deel 2
                                                                  Gerard van der Leeuw




Hoevelen zullen nog weten dat Pleyel ooit de meest gespeelde componist ter wereld was? 'On ne voulait pas entendre d’ autre musique que la sienne', zoals Fétis schreef. U leest het in De Rode Leeuw, die met Pleyels 250ste geboortedag voor de deur een korte serie  artikelen aan hem wijdt. Terecht, want wie zich even in leven en werk van deze componist verdiept weet: iets bijzonders. In dit nummer een artikel over Pleyels strijkkwartetten op. 2.


Zoals we in het eerste deel van deze serie zagen, schreef Pleyel      -als goed leerling van Haydn- zo’n zeventig overigens niet allemaal authentieke, strijkkwartetten, de glorie van zijn oeuvre. Tenminste één mens heeft dat van meet af aan begrepen: Mozart, die eind april 1784 aan zijn vader de volgende brief schreef:(de accents zijn authentiek)


Mon trés cher Pére!
Hier haben wir nun die berühmte Mantuanerin Strinasacchi, eine sehr gute Violinspielerin; sie hat sehr viel Geschmack und Empfin-dung in ihrem spiele. – Ich schrei-be eben an einer Sonate, welche wir Donnerstag im Theater bey ihrer Akademie zusammen spielen werden.1 
Dann sind dermalen Quartetten heraus von einem gewissen Pleyel; dieser ist ein Scholar von Joseph Haydn. Wenn Sie selbige noch nicht kennen, so suchen Sie sie zu bekommen; es ist der Mühe werth. Sie sind sehr gut geschrieben, und sehr angenehm. Sie werden auch gleich seinen Meister herausken-nen. Gut – und glücklich für die Musik, wenn Pleyel seiner Zeit im Stande ist, uns Haydn zu rem-placiren!
Wolfgang Amadé Mozart


Helaas weten we niet over wèlke kwartetten van Pleyel Mozart schrijft. Mogelijk diens op. 1.
Recentelijk verschenen op twee alweer prachtige Naxos-cd’s de zes kwartetten op. 2 van Pleyel, groot-meesterlijk en enthousiast uitge-voerd door het Amerikaanse Enso quartet.


Pleyels zes kwartetten op. 2 (in  A-groot, C-groot, g-klein, Es-groot, Bes-groot en D-groot) werden, met een opdracht aan Haydn, in 1784 gepubliceerd door de Weense uitgever Graeffer. En daarmee wer-den in dat jaar twee belangrijke kwartetseries aan Haydn opgedra-gen: immers in datzelfde jaar droeg Mozart zijn zes zgn. Haydn-kwartetten aan hem op.


Natuurlijk: Mozarts kwartetten, waar hij voor zijn doen ongelooflijk lang op geploeterd heeft, behoren tot de top van de kwartetlitera-tuur, die van Pleyel natuurlijk niet. Maar toch! Wat een ontzet-tend leuke, frisse, verrassende werken zijn dit niet! Pleyels ge-ringere ambitie blijkt alleen al uit het feit dat slechts één van de zes kwartetten de klassieke, door Haydn genormeerde vierdeligheid heeft: dat in Es-groot Op. 2 nr. 4. Op een Allegro en een Adagio volgen een piepklein (29 maten!) Tempo di Menuetto (dus géén Menuet, er is geen trio!) en een Finale: Allegro assai. De andere vijf kwartetten zijn driedelig, met  in op 2 nr. 1 een Menuetto als finale.
Het lijkt erop dat Pleyel bewust afweek van het model van zijn leermeester. Hij zoekt duidelijk een eigen weg en dat is hem, getuige deze overdonderend spontane en mooie werken, uitstekend gelukt.


Meest ambitieuze werk uit de serie: het ronduit schitterende kwartet in g-klein op. 2 nr. 3, met een fabelachtig mooi, elegisch Grazioso als slotdeel.. Vormtechnisch het meest interessant is het Allegretto uit het strijkkwartet in D-groot op. 2 nr. 6: je denkt te luisteren naar een thema met variaties, maar dat is niet zo. Het is eerder een rondo, waarbij de verschillende instrumenten in de coupletten een hoofdrol spelen (opvallend hier ook de aan Haydn herinnerende schitterende ‘Hongaarse’ ‘variatie’. En dan de overdonderende coda: het derde deel: Presto, maar thematisch ten nauwste verbonden met het voorafgaande deel. Wat een verrassingen heeft Pleyel niet voor ons in petto!


Een bijzonderheid in deze kwartetten zijn de ‘con sordino’ te spelen delen. Luister eens naar het zeer Italiaanse Adagio cantabile uit het strijkkwartet op. 2 nr. 2 of het Adagio uit op. 2 nr. 4:: wat een heerlijkheden weet Pleyel ons hier voor te schotelen. En laat u bij uw cd-handelaar vooral het snoezige Rondo Graziozo uit het strijk-kwartet op 2 nr. 5 voorspelen: wedden dat u net als Annie M.G Schmidts (canon!) juffrouw Scholten zult smelten. Pleyel: heerlijk!
Zoals gezegd dit zijn grandioze uitvoeringen. Het jonge Enso -er moet een streepje op de o- kwartet (de naam is ontleend aan een begrip uit de Japanse zenwereld) speelt de sterretjes van de hemel. Ze spelen loupezuiver, zeer ritmisch en met enorm gevoel voor de stijl van deze muziek. Er is meer van dit kwartet te beluisteren op hun site: www.ensoquartet.com, waarbij opvalt dat alles wat ze spelen de moeite van het horen waard is, of het nu Hugo Wolf, Mozart of de jonge Amerikaanse componist Pierre Jalbert betreft.


Luister alleen eens naar het spel van eerste violiste Maureen Nel-son: intelligent, getuigend van grote muzikalteit en met een enorme ‘drive’. Waar dat nodig neemt ze het heft in handen (luister naar het trio uit het Menuetto uit op. 2 nr. 1, of de doorwerking van het tweede deel uit het strijkkwartet in g-klein op. 2 nr. 3!), waar ze deel van het ensemble moet uitmaken doet ze dat. Tereza Stanislav (tweede violiste), Robert Brophy (altviool) en Richard Belcher (cello, luister naar het strijkkwartet in D-groot op. 2 nr. 6, het tweede deel!) zijn van hetzelfde niveau.




Ignaz Pleyel? Een meester!


Ignaz Pleyel: strijkkwartetten op 2: Enso quartet
Maureen Nelson     -viool
Teresa Stanislav     -viool
Robert Brophy-        -altviool
Richard Belcher     -cello


Naxos 8357 496 (55:40) en 497 (56:38).


Gyula Illyés (uit DRL 185)

Vergeet hem niet: Gyula Illyés                                                                   
                                                                  Gerard van der Leeuw




Ook in ons land beleeft de Hongaarse literatuur een soort renais-sance, zeker sinds de herontdekking van Sándor Márai (1900-1989), wiens A gyertyák csonkig égnek (in de Nederlandse vertaling Gloed) in 2000 terecht een bestseller werd. (Mocht u het nog altijd niet kennen: hol naar uw boekhandel!). Al eerder had Van Gennep veel succes met de boeken van Konrád en er werd in de loop der jaren heel wat Hongaarse literatuur vertaald. Recentelijk werd ook Édes Anna (in de Nederlandse vertaling: Anna) van Dezsö Kosztolányi (1885-1956) terecht een enorm succes. Wat een meesterwerk! Eerlijk gezegd mis ik één heruitgave: die van Puszták népe (Het volk van mijn poesta uit 1936 van grootmeester Gyula Illyés (1902-1983)


Ik kocht het in 1976 bij Meulenhoff uitgegeven boek ooit in de opruiming voor het luttele bedrag van fl 3, 50. Niet veel, want ook dit boek is een meesterwerk Wie enig begrip wil hebben van het leven op het Hongaarse platteland aan het begin van de 20ste eeuw, het platteland van Bartók en Kodály, moet dit boek eenvoudig lezen.
Lees wat hij schrijft over zijn poestaschooltje:
‘De schooldeur werd om half acht door de huishoudster van meester Hanák geopend.
Ik denk graag terug aan de school om wat ik er opgestoken heb, zo graag dat ik er, zoals bij koortsverwekkende middelen na dagen, na jaren nog opgewekt van word. De meer ambitieuze leerlingen verschenen om half acht en gingen verschillende hoofd- en onderaf-delingen vormen. De leukste was de groep van de waterdragers die tante Pápa van zes jongens en vier meisjes formeerde. Wij jongens pakten getweeën een kan of een teil vast en schuifelden plezierig discussiërend naar de pomp van de poesta. In vier, vijf beurten werden de grote wastobben in de keuken en de drie tonnen in de tuin gevuld, waaruit de meisjes dan het water in de smalle drinkbakjes van de bijen of in de met overleg gegraven kanaaltjes van de tomatenbedden goten. Oom Hanák was namelijk een uitmuntend modeltuinder en een ver in de omtrek vermaard imker. De andere groep van de jongens sneed intussen bieten in schijven voor de koeien, voederde het varken en het pluimvee. De volgende patrouille pelde maïs. Enkelen waren lusteloos om het hakblok met het hout bezig, want daar had niemand veel zin in. Van groep verwisselen mocht alleen met speciale toestemming; er heerste orde. De spreekwoordelijke toestand dat de ene helft van de klas als beloning en de andere voor straf de tuin van de meester omspitte, werd alleen na milde mei-regen bewaarheid. Dit alles duurde precies een uur. Na de voltooiing van onze ochtendtaak verscheen meester Hanák in het klaslokaal; tegen die tijd waren alle zes klassen present. Hij werd met uitbundige vreugde ontvangen. In de ene rij banken zaten de meisjes, in de andere de jongens; er was coëducatie. De les begon
Wie wilde kon vreselijk veel opsteken, en wat hij maar wilde, want er was een rijke keus voorhanden. Oom Hanák gaf eerst les aan de eerste, dan aan de tweede, dan aan de derde klas en zo maar door. terwijl hij zich met een klas onledig hield, prepareerden de anderen hun lessen of gingen ook nu nog water halen, als het bijvoorbeeld wasdag was....’


Gyula Illyés, geboren op de  straatarme Racégrespuszta, is (zie het artikel van Albert van der Schoot) een van diegenen die zich als jong, intellectueel, aansloot bij de communisten. Hij ging in het het Rode Leger. In 1921 week hij uit naar Parijs, waar hij kennis maakte met de internationale avant-garde, met name het surrealisme (André Breton, Tristan Tzara, Paul Eluard e.a.). Zijn eerste Hongaarse dichtbundel Nehéz föld (Zwarte aarde) draagt er de sporen van. Hij keerde terug naar Hongarije, leerde er zijn kunst in dienst van zijn idealen te stellen, maar werd door het toenemend Stalinisme de mond gesnoerd. Wereldberoemd werd zijn door toedoen van Karel Jonckheere ook in de Lage Landen bekend geworden Een zin over tirannie, waarin hij in een gedicht in één lange zin alles wat er maar over dictatuur gezegd kan worden samenvat. De tekst werd tijdens de Hongaarse opstand van 1956 gepubliceerd.
Zijn Puszták népe kan beschouwd worden als een anti-feodaal boek, een demografische studie en een roman in één. Het is natuurlijk ook een aanklacht tegen de onvoorstelbare armoede en sociale onrechtvaardigheid die op het Hongaarse platteland heerstten.
Illyés schreef nog een soort vervolg: Ebed a kastélyban (Neder-landse vertaling Noenmaal op het kasteel).
Een prachtig essay over het ouder worden is Kháron ladikján vagy az öregede´s tünetei. (Nederlandse vertaling:In de sloep van Charon of verschijnselen van de ouderdom
Gyula Illyés overleed in 1984.


Hans Vonk

Een spijker slaan in een fontein            
                                                                 Gerard van der Leeuw




Het boek met achterin een ruim drie uur durende dvd ploft op de mat om half een ‘s middags: Hans Vonk. Een dirigentenleven. Twaalf uur later, om half een 's nachts heb ik het, weer diep onder de indruk van de tragiek van dit zo intens geleefde leven, uit en alles gezien. Verder niks gedaan dan lezen, lezen en een uur luisteren naar een van vele opnames die ik van Hans Vonk heb. Ademloos heb ik het uitgelezen: het gaat niet alleen over een absolute top-dirigent, het is nog grandioos geschreven ook. Wie kan stoppen als hij direct al leest:


Muziek is ongrijpbaar. Ze kent geen vaste materie en geen vaste vormen. Muziek laat zich niet bezichtigen, tentoonstellen of aan-raken. Zij kan alleen bestaan als zij zich voltrekt. Haar vangen is als het slaan van een spijker in een fontein. Dirigeren is al even on-grijpbaar. De gebaren van de dirigent zijn zo persoonlijk als een handtekening. En vluchtig tegelijk. Een dirigent loopt op de muzikale gebeurtenissen vooruit en reageert op wat zojuist geklonken heeft. Hij is de verbindende schakel tussen een muzikaal ‘niet meer’ en een muzikaal ‘nog niet’. In dat breekbare moment bepaalt hij het verschil tussen stilstand en voortgang, tussen klinken en klank, tussen een aantal noten in een bepaalde volgorde en een muzikale gedachte.


Wie zo schrijven kan verdient het een boek over Hans Vonk te schrijven! Hulde aan Luuk Reurich en uitgeverij THOTH in Bussum!


Hoe groots bet boek ook, e.e.a. zou niet compleet geweest zijn zonder de prachtige dvd achterin het boek. Hier zien en horen we Vonk aan het werk o.a. in Keulen, in Dres-den, in Saint Louis en in Amsterdam. Je hoort en ziet schitterende uitvoeringen van o.a. Schumann, Brahms, Strawinsky, Mahler, maar ook van Zimmermann, Berg en Peter Schat. We zien Vonk voetballen, achter het stuur nog even snel in de betekende partituur kijken en kijken voor de zoveelste keer naar het diep ontroerende interview met Frénk van der Linden waarin de inmiddels zwaar zieke Hans Vonk als het ware de balans van zijn leven opmaakt.


Vonk maakte geen muziek, hij wàs muziek. Hij werd geboren op 18 juni 1942 in Amsterdam. Zijn vader is violist. Het gezin woont op de Koninginneweg. Buren: de familie De Leeuw, met Reinbert en Hans als eerste vriendjes. De Mattheus Passion maakt op de vijf-jarige Hans Vonk een dermate verpletterende indruk dat hij volgens de overlevering in het gangpad neerknielt.
Echt serieus studeren doet hij voorlopig niet; hij schaakt, speelt voetbal, tennist, maar voelt zich op het Amsterdamsche muzieklyceum als een vis in het water. Hier studeren gelijktijdig met Hans Vonk grootheden als Emmy Verhey, Reinbert de Leeuw, Edo de Waart, Godfried Hoogeveen, Han de Vries, Johan Kracht en anderen. Maar als hij aan directeur Everart van Royen vraagt of hij ook directie mag studeren luidt het antwoord: Van alle leerlingen op deze school ben jij wel de laatste die daarvoor in aanmerking komt. Om twee redenen: je bent lui en arrogant.


Maar Vonk krijgt z’n zin en studeert bij Jaap Spaanderman en Peter Etös.
Eerste baantje bij het Nederlands Balletorkest. Een ongemotiveerd zootje dat rookt tijdens de repetities.... En moeilijke choreografen, die zich bemoeien met het tempo. ‘Hoe wilt u bet ditmaal hebben’, vraagt een geïrriteerde Vonk op een gegeven moment, ‘Te snel of te langzaam?’
Het allerbeste wat hij aan deze moeizame start overhoudt is zijn latere vrouw, Jessie Folkerts, solo-danseres en beeldhouwster. Zij weet zijn leven structuur te geven en blijkt in de loop der jaren een onmisbare steun en toeverlaat.
Scherp analyseert Luuk Reurich de reacties die Hans Vonk met zijn afkeer van ‘glamour’, zijn scherpe tong (Het is weliswaar niet Brahms’ sterkste stuk, maar wilt u wel de voortekens spelen?), zijn afkeer van luie muzikanten en zijn af en toe dwarse houding oproept bij de verschillende orkesten. Loopt het als een trein bij het Radio Filharmonisch orkest, bij het Residentie Orkest gaat het -ik was aanwezig bij Vonks officiële ‘af-scheid’’ - helemaal mis.
In 1967 werd Vonk benoemd bij de Nederlandse Operastichting, waar hij al snel een indrukwekkend repertoire opbouwt (Così fan tutte, Tristan und Isolde, Jevgeni Onegin, Lulu en natuurlijk de componist die heel veel aan Vonk te danken heeft: Peter Schat, wiens Houdini, na moeizame repetities, een spetterende uitvoering krijgt. Toch is Vonk ook bij de opera niet gelukkig; eigenwijze regisseurs, die te weinig van muziek weten, vergallen hem het leven. Voor Vonk is (terecht!) de muziek de enige maatstaf.
Als het Concertgebouworkest niet hèm, maar Riccardo Chailly tot opvolger van Haitink benoemd, rest Vonk maar één ding: ‘ballingschap’.


Werd hij in Nederland nog wel eens miskend, in het buitenland bloeit hij op.  Uitvoerig gaat Luuk Roerich in op Vonks dirigent-schappen bij de Staatskapelle Dresden (dat steeds meer verziekt werd door de politieke situatie in de voormalige DDR), het WRD-orkest in Keulen en -als absoluut hoogtepunt zijn bliksemcarrière als dirigent van het Saint Louis Symphony Orchestra, waar hij de Amerikanen dwingt tot een heel andere instelling tegenover mu-ziek.


Ontroerend en onthutsend zijn de hoofdstukken gewijd aan Vonks lichamelijke aftakeling, de geheimzinnige en zeldzame ziekte die Vonk stilaan het dirigeren onmogelijk maakte. Prachtig schildert Roerich Vonks (geestelijke) worsteling, zijn toenemende berusting, maar ook zijn onwrikbare wil om zo lang mogelijk door te gaan. Ronduit indrukwekkend.


Natuurlijk valt er altijd wel iets te mopperen. Ik zou jurist-schrijver (wat de schrijver van dit boek óók is) Wacckenroder (p. 48) geen musicoloog (wat de schrijver van dit boek wèl is) noemen, bijvoor-beeld, en met de telling van de Schubert-symfonieën is het altijd uitkijken geblazen. Ongetwijfeld staat er op de Breitkopf & Härtel-partituur ‘Sinfonie nr. 7’, maar we spreken tegenwoordig toch over ‘Schuberts ‘Negende’? De Hofkapelle in Dresden is uiteraard veel ouder dan het door Roerich genoemde 1648. Immers hier liepen toch allang mannen als Heinrich Schütz, Michael Praetorius en Hans Leo Hassler rond?
Maar als geheel is dit een grandioos boek, een waardig monument voor een groots musicus. Schrijver, zowel als de Hans Vonk Stichting en uitgeverij THOTH kunnen trots en tevreden zijn!  Het boek is bovendien schitterend uitgevoerd, met een weelde aan foto’s, waarvan precies de goede in kleur. Uit iedere regel van de auteur blijkt zijn kennis van en liefde voor zijn onderwerp. Een absolute voltreffer.




Luuk Roerich: Hans Vonk, Een dirigentenleven
Uitgeverij THOTH
ISBN 90 6868 429 9
Prijs € 22, 50.


Angin Timur gelumbang barat (uit DRL 183)

Angin Timur gelumbang barat
                    Gerard van der Leeuw




Dat men niet alleen in Vlaanderen het eigen erf beheert wordt be-wezen door een prachtige Nederlandse productie Angin Timur gelumbang barat (De oostenwind golft naar het Westen) met daarop volkomen onbekende Indische liederen. Liederen van Nederlandse componisten die tijdens hun ver-blijf in Nederlands-Indië op de een of andere manier in aanraking kwamen met èn geïnspireerd werden door de Indonesische muziek- en dichtvormen, de gamelan, de krontjong en de pantoem. En wie ooit de meer dan schitterende Passacaglia notturna uit het Trio voor klarinet, altviool en piano van Rudolf Escher heeft gehoord, of het al even prachtige Bezonken rood van Jeroen Brouwers heeft gelezen, weet voor altijd hoezeer het verblijf in Indonesië (hoe kort soms ook) landgenoten voor het leven getekend heeft.
Eigenlijk is het best beschamend dat we dit soort klanken alleen kennen uit het oeuvre van Debussy en Ravel (denk aan het tweede deel, Pantoum, uit zijn (ik geef het toe) geniale pianotrio. Immers: ook Nederlanders hebben deze invloeden met verve in hun idioom opgenomen. Pianist / antropoloog Henk Mak van Dijk (hij spreekt vloeiend Bahasa Indonesia) en Esther Wils begonnen in 2003 een onderzoek naar Indische muziek in de collectie van het Nederlands Muziek Instituut. Het resultaat was verbluffend en een deel van het boven tafel gehaalde is inmiddels prima vastgelegd op de je de ogen en oren openende cd.


Componisten als Constant van de Wall en Bernard van den Sigtenhorst Meyer genieten dan nog (in kleine kring) enige bekend-heid, maar hoorde u ooit van de in Breda geboren Paul Johan Seelig (1876-1945), auteur van een aantal zeer mooie op Maleise teksten geschreven liederen; van architect / componist Frans Wiemans (1889-1935), een leerling van Busoni, wiens prachtige Drie Wijzangen -op de cd worden er twee uitgevoerd- op tekst van Ra-bindranath Tagore (in de vertaling van Frederik van Eeden) een hoogtepunt van de cd vormen. Of van Linda Bandara, geboren als Siegelinde Leber (1881-1961), wier werk zelfs door de Wiener Phil-harmoniker werd uitgevoerd?
Ach, wat weet een Nederlander van zijn eigen cultuur!
De geïnteresseerde luisteraar naar deze cd zal een wereld van onver-moede heerlijkheden opengaan.  Juist de combinatie van Oost en West (‘and Never the twain shall meet’) geeft deze cd zijn onweer-staanbare charme. Zonder overigens in goedkope effecten te vervallen: dit is volstrekt volwassen muziek.
De uitvoering van al dit moois door Renate Arends (haar overgrootvader werkte op Java) en Henk Mak van Dijk kon welhaast niet beter zijn. Mogelijk raakt een enkele luisteraar geïrriteerd door het teveel aan esthetische klanken: te veel schoonheid kan schadelijk zijn voor het in deze barre tijden weinig verwende gemoed.
Samenvattend: dit is een uitermate welkome cd, een grandioos bewijs voor het feit dat Oost en West wèl samen kunnen gaan. Dat muzikale schoonheid in welke vorm dan ook, universeel is. Dat Bush c.s. moeten sudderen in de hel.
De cd is te bestellen door overmaking van € 17, 50 incl. verzend-kosten op bankrekeningnummer: 51.64.83.994 t.n.v. het Nederlands Muziek Instituut, Den Haag onder vermelding van: cd Indische muziek. Inwoners van Den Haag kunnen de cd ook afhalen aan de balie van het Nederlands Muziek Instituut. U betaalt dan geen porto-kosten.